Op zoek naar de verloren tijd in Qinghai

Ik hou het meest van Qinghai wanneer het blanke maanlicht het landschap gitzwarte, strakke contouren geeft. Ademende lijnen die mysterieus opdoemen vanwege hun nachtelijke halo’s, ontstaan door nevel van de nachtvorst. Ook bij daglicht zijn de vergezichten van deze West-Chinese provincie bijna buitenaards. Verlaten graslanden zover het oog reikt, totdat machtige bergformaties een halt toeroepen aan de eindeloosheid. En toch is het niet de natuur die mij voor altijd aan Qinghai verbindt, maar een ontmoeting met een zwijgzame ziel – een detail in de tijd en immense ruimte, maar één die zo had moeten zijn.

Het enorme zoeklicht van de politieauto splijt de nacht in tweeën. Ik zit op de achterbank, ingeklemd tussen twee doodsbange jonge Chinese jongens. Ze steken nerveus de ene na de andere sigaret op, blikken van de strenge politieogen in de achteruitkijkspiegel vermijdend. De jongen aan mijn linkerkant heeft zonder het te beseffen zijn trillende, met bloed bevlekte, been over het mijne geslagen. De ander neuriet haperend een melodie uit een kinderliedje en kijkt emotieloos naar de nacht. Afgezien van deze ijle tonen wordt de akelige stilte alleen nog doorbroken door het geloei van de wind die door de open ramen waait. Ik vecht tegen deze koude lucht die dwars door het dunne stof van mijn shirt op mijn huid snijdt.

MG_0171

Ik hou mij groot; beantwoord de agent met een glimlach als zijn blik de mijne ontmoet. Ik knik vriendelijk naar mijn buurman als hij zich verontschuldigt voor de afgetikte as die in mijn ogen waait. In mijn hoofd malen twee gedachten. Ik probeer het gezicht van een derde persoon voor de geest te halen, de vriend van de jongens en tot voor kort nog hun, en mijn, reisgezel op weg naar de stad Ganzi. Die vriend wiens levenloze lichaam ergens op een verlaten plek in een ijzige grasvlakte ligt en waar we nu naar op zoek zijn.

Die andere gedachte gaat uit naar de vijfde passagier. De charismatische Tibetaanse jongen Phuntsok. Terwijl de auto over de donkere vlakte raast en drie paar ogen zoeken naar het gruwelijke, kijk ik richting de passagiersstoel voorin, naar de leren cowboyhoed van de jongen die mij sinds onze eerste treffen mateloos intrigeert. Ik kijk vooral ook naar die twee enorme koffers, één rustend op zijn schoot en de ander ingeklemd tussen zijn benen. Als hij mij ziet, of beter: mijn angst, legt hij zijn hand op mijn knie. Ik ben weer gerustgesteld.

Gerochel, gesnuif en gebouwen
Enkele weken eerder. Bij het verschijnen van de eerste zonnestralen rijdt de nachttrein uit Chongqing met een hypnotiserende cadans door het wilde landschap van Qinghai. Het is een tijd geleden dat ik van een uitzicht kan genieten zonder enige bebouwing. Als de medepassagiers ook wakker worden, is het gedaan met de rust. Buiten en binnen wordt de ruimte gevuld met menselijke activiteiten: gerochel, gesnuif en gebouwen. We rijden de randgewesten van Xinning in.

MG_0088De charme van de stad, van oudsher een handelspost aan de zijderoute, is vooral te vinden in de oudere wijken die om het hypermoderne centrum liggen. Langs etnische lijnen wordt hier zaken gedaan zoals dat al eeuwenlang gebeurt. De lijn wordt alleen niet overschreden. Over het algemeen slaapt, bidt, lacht en woont men bij zijn eigen soort. Wantrouwt de ander, al wordt dat nooit in het openbaar uitgesproken.

De Han-Chinezen begrijpen niet waarom Tibetanen niet dankbaar zijn voor de beschaving uit het Oosten in de vorm van glimmende wolkenkrabbers, infrastructuur en mobiele telefonie. Tibetanen zien hun land overstroomd worden door datzelfde moderne vernuft en vragen zich af of de natuurlijke rijkdommen op de Tibetaanse hoogvlakte blijven of toch richting Beijing stromen. Bovendien, en dat zou ik in meerdere mate dieper in de provincie merken, weet men zich geen raad met het revolutionaire onderbuikgevoel om voor eens en altijd uit te maken dat niet de Partij, maar Zijne Heiligheid de Dalai Lama de baas is. Hiertussen beweegt zich de groep islamitische Oeigoeren wiens hoofd alleen in de stad bevindt, hier alleen handel drijft. Hun hart ligt in Xinjiang en westelijker in Mekka.

Levenskracht
Hoewel de sfeer in de stad vriendelijk is, ondanks het onderhuidse wantrouwen, besluit ik na twee dagen te vertrekken. In de bus naar het stadje Guide zie ik dat ik nu niet wordt omringd door voornamelijk Han-Chinezen. Hier zijn Tibetanen in de meerderheid. Ik hoor vreemde woorden van geanimeerde gesprekken tussen mensen die emoties tonen die ik in het oosten van het land mis. Domweg gevoelens die worden uitgedrukt in klank en gezichtsuitdrukkingen. In witte, minder witte en gele tanden die worden onthuld in glimlachen.

Mijn zenmoment wordt beschaafd onderbroken door een zachte greep aan mijn schouder. Ik kijk in de vriendelijke ogen van een lange jongen. Hij heeft een cowboyhoed op, zijn witte overhemd (bovenste knopen los) hangt nonchalant uit zijn jeans. Een bruinleren gelaarsde voet rust op een enorme koffer. Hij buigt zich naar mijn richting; tot een afstand waar net twee vingers tussen passen. Terwijl zijn duim over mijn schouder aait, knikt hij naar de lege plek naast mij. Een uiterst zekere glimlach, nog net niet hooghartig brutaal, verschijnt op zijn gave gezicht. Bestaat er zoiets als levenskracht, door de Chinezen Chi genoemd? De energie die door de meridianen van het lichaam stroomt en als een warme aura naar buiten vloeit.

Het landschap is wild, weinig gecultiveerd. Het bestaat voornamelijk uit zandkleurige rotsachtig terrein. In de verte doemen gele bergen op die lijken te dansen met hun levensgrote partners die als luchtspiegelingen op de goudgele vlakten verschijnen, een truc van het brein ontstaan door de verschillen in temperatuur in de luchtlagen. De weinige bebouwing die er is, is opgetrokken uit hetzelfde materiaal als de omgeving zodat die bijna verdwijnt in de leegte.

IMG_2154

De wereld kraakt
Met de klanken van Thé Lau die rauw zijn meesterstuk Open brengt geniet ik van dit majestueuze moment. Eén dat je enkel voelt wanneer je alleen reist, dat je met anderen zou willen delen, en in die wens op zoek gaat naar woorden; die je niet vindt en je dan maar besluit om dat moment voor jezelf te houden. Ondertussen voel ik de aanwezigheid van mijn buurjongen en zie ik zijn doorzichtige spiegeling in het raam. Zal ik hem aanspreken? De verlegenheid wint en de zanger sprak: En de maan klimt hoger / En m’n wereld kraakt / En ik word dover / Want ik hoor de woorden vallen / Maar niemand wordt geraakt / En ik zoek naar het woord dat alles openmaakt.

Guide is de bron van de drie grote rivieren, de Gele, Jangtsekiang en Mekong rivier. Het is ook de bron naar een ontluikende fascinatie voor een onbekende ziel. Ik zag hem met twee loodzware koffers naar een auto lopen, zag nog een glimp van zijn rug en bleef achter op een chaotisch busstation. En ’t blijft geloven / Dat ’t onterecht is / Dat de lafaard nooit iets krijgt.

Ik lees in een reisgids dat het oorspronkelijke centrum is gesloopt voor nieuwbouw, maar dat even buiten het stadje een glimp is op te vangen van oude vervlogen tijden in de vorm van de ruïnes van historische wijken. Ik loop tussen de zandstenen fundamenten en door de tijd stukgeslagen huizen. Het is een tafereel dat misplaatst voelt in China, het land waar ‘vroeger’ geen plaats kent in het heden. De dode grond spreekt hier echter meer dan de neonlichten van het nieuwe centrum even verderop.

Zijn, wachten, verwachten en krijgen
De komende weken reis ik met aftandse bussen over slechte wegen. Mijn dagen bestaan uit wachten. Wachten op de reparatie van de motor, wachten op vervoer dat maar niet komt, wachten op het voorbijgaan van kudde jaks of schapen die de weg versperren. Ik kom in dorpen die uitlopen omdat een bezoek van een vreemdeling als een lopend vuurtje gaat in dat soort oorden. Ik bezoek tempels en heb talloze malen ruzie met Tibetaanse terriërs die hun territorium met poot en vooral tand verdedigen.

China_Tagong_20120525_00277

En naarmate de tijd verstrijkt merk ik dat ik niet meer wacht. Ik ‘ben’ nu alleen nog maar en onderga de dingen zoals ze voorbijgaan. Ik zie dat het landschap een personage op zich is, ik geniet van de talloze keren dat ik aan mijn arm wordt meegetrokken om ergens, in iemands huis of tent, zwijgzaam te zitten. Ik geniet van de immense sterrenhemel, liggend op mijn rug op een dakterras terwijl de honden luidruchtig bezit hebben genomen van de straten.

Op het moment dat ik ook niet meer verwacht, krijgt mijn verblijf een totaal nieuwe wending. In een speldenknop genaamd Dari, een gehucht bestaande uit drie straten, kom ik hem tegen. Hij heeft van zijn twee koffers een comfortabele fauteuil gemaakt. Als hij mij ziet, krullen zijn mondhoeken in slow motion tot een lach. Hij wenkt naar me en ik loop, alsof ik hem al jaren ken, op hem af. Ik ga naast hem zitten, kijk hem aan en laat toe dat beide aura’s met elkaar vervloeien. Dit keer wel.

Hij, Phuntsok, en ik communiceren niet met woorden. Hij heeft een gebrek aan kennis van talen buiten de zijne en aan mijn kant mis ik die van de Tibetaanse. We spreken in uitdrukkingen, gebaren en aanrakingen. Vriendschappelijke, maar ook innige en heel soms vijandige. Want ook zonder woorden kun je ruzie maken. Wat valt er verder te begrijpen?, houden we ons voor. Gevoelens zijn steevast universeel. Zolang het duurt althans. Want hoewel de waarheid ons al vanaf het begin achtervolgt, proberen we het afscheid nog even voor te zijn.

De koffers
Yushu is sinds de verwoestende aardbeving van 2010 een oorlogsgebied. De stad heeft pas één straat herbouwd, die verder wordt omringd door tentenkampen. We zijn hier nu een paar dagen en die bestaan uit ontwaken en daarna samen urenlang door de stad en omgeving lopen. Op de ochtend dat we Qinghai willen verlaten om naar Ganzi in Sichuan af te reizen, roept hij mij bij zich. Zijn jongensachtige bravoure probeert hij te versterken met een zekere ernst. Zijn nog natte lange haren zijn ongekamd en voor het eerst zie ik iets wilds in hem. Een uitdrukking die ik bij zoveel Tibetanen zie, een oerkracht ingegeven door de woeste omgeving.

Als hij ziet dat hij mijn volle aandacht heeft, opent hij met veel gevoel voor drama één van zijn koffers. Een klein stukje maar, zodat alleen zijn hand door de opening past. Zonder zijn ogen van de mijne af te wenden brengt hij langzaam zijn hand naar zijn hoofd. Hij hield een stapel, zo’n tien centimeter dik, van vijftig yuan biljetten vast. Hij lacht trots en begint dan met het stapeltje te wuiven als ware het een waaier is. Als hij de koffer volledig opent zie ik dat deze vol zit met soortgelijke stapels. De andere koffer gaat met minder showmanschap open, deze is gevuld met zakjes van minuscule wormpjes. “China,” zegt hij. Hij maakt een eetgebaar en wijst dan naar zijn geslachtsdeel. “Afrodisiacum,” zeg ik overbodig.

China_Tagong_20120525_00275

Als we wachten op de four wheel drive naar Sichuan zijn we er allebei met onze hoofden niet bij. Ik zit met duizenden vragen die ik hem wil stellen. Phuntsok houdt drie Chinese knapen nauwlettend in de gaten. Ze houden een hevige discussie, één die bij mij geen alarmbellen liet rinkelen omdat ik ze zoveel heb meegemaakt in mijn woonplaats Chongqing.

Moord?
De jongens blijken met ons mee te reizen. Ze werken in het (her)opbouwteam in de stad en reizen terug naar huis. We zitten met z’n vieren op de achterbank, maar dat deert me niet. Ik ben blij dat ik na weken eindelijk weer kan praten. Net als Phuntsok voel ik bij het voortschrijden van de tijd ook een zekere spanning tussen hen. Ik laat het voor wat het is. Onze gesprekken vallen dood en met mijn oordopjes in, geniet ik, totdat ik in slaap val, van het landschap.

’s Nachts schrik ik wakker van een oorverdovend geschreeuw. Ik kan me moeilijk oriënteren in het donker. Het licht van de koplampen fungeert als richtlijn. Ik zit in de auto, maar kan me moeilijk bewegen. De kou omsluit me als een dwangbuis. Bij de tweede schreeuw ben ik alerter, klaar om weg te springen als er gevaar dreigt: al weet ik niet wat dat nu is. En dan is het voor enkele milliseconden weer helemaal donker. Iemand rent voor de auto en dan zie ik Phuntsok op iets afspringen. Ik maak dat ik buiten kom en kan niet meteen plaatsen wat ik zie. Eén van de Chinese jongens loopt als een krankzinnige rondjes om Phuntsok en de chauffeur die samen zijn hevig terugvechtende vriend in bedwang houden. De derde jongen is nergens te bekennen. “Ik heb niets gedaan! Hij heeft een andere auto genomen,” roept hij. Uiteindelijk geeft de chauffeur hem een lel op z’n hoofd. Het lichaam van de jongen schokt, maar blijft dan stilliggen.

We brengen beide jongens naar een verlaten politiepost. Het is voor ons nog steeds onduidelijk waar hun vriend is. De hoofdagent hoort in zijn hemd en onderbroek het verwarrende verhaal van de jongens aan.

“Hij besloot om verder te lopen,” stamelt één.
“In deze kou, dat overleeft niemand,” geeuwt de agent. En dan snerpend: “En hoe verklaar je het bloed op je broek! Waarom heb je hem vermoord!”

Wij worden ook ondervraagd, ik zeg van niets te weten. Maak alles sowieso in flarden mee sinds ik wakker schrok in het holst van deze nacht. Hij knikt, gaapt, krabt aan zijn testikels en geeft me, met diezelfde hand, een klap op de schouder. Een agent krijgt de opdracht om naar de vermiste te zoeken. Wij gaan mee en vinden na een lange zoektocht het bevroren, levenloze lichaam van een jongen die meehielp aan de wederopbouw van een getroffen stad. We rijden weer terug naar het bureau, het lichaam in de kofferbak, en van daaruit naar Ganzi. De twee jongens blijven achter op het bureau. Was het een ruzie over geld? Een vrouw?

Phuntsok en ik lopen zwijgend over de boulevard van de rivier die deze stad in tweeën deelt. Een stad die op zijn beurt weer op de breuklijn van het gigantische Middenrijk ligt: in het Westen, aan de overkant van het water, ligt het ruwe achterland en in het Oosten de glazen torens en de fabrieken van het economische wonder. Bij de brug stoppen we, kijken elkaar aan en voelen ons goed. Ik doe mijn ogen dicht en als ik ze later weer opendoe zie ik hem aan de andere kant in de mensenmassa verdwijnen, met maar één koffer dit keer.

Deze longread heeft in het najaarsnummer 2014 van het tijdschrift China Nu gestaan

Geef een reactie