Hel en Nirvana in Sichuan

Het zuidwesten van de Chinese provincie Sichuan is vooral leeg. Maar wat is die leegte adembenemend mooi. De geharde bevolking houdt haar jaks en paarden op de grasvlakten die worden begrensd door bergen met besneeuwde toppen.

De kou drong door de dunne muren van het kleine familiehotel boven een restaurant dat tevens dienst doet als rokerige gokhal. Ik zag net de contouren van het magere lijf van de hoteleigenaar. Hij liep voorop, gidste me naar mijn kamer. Ik probeerde zijn snelle, sloffige tred bij te houden, maar dat ging moeilijk in de donkere gang. Ik botste tegen hem op toen hij plots stilstond. Onvervalst gevloek herken je in iedere taal, hij was druk op zoek naar de schakelaar voor de lamp. Enkele verwensingen later had hij het licht gevonden. Onder een stoffige porseleinen kap controleerde hij mijn paspoort. Hij tikt tegen het plastic waarop mijn persoonsgegevens staan: “Jullie Nederlanders hebben een prachtig paspoort!”

China_Kangding_20120522_00199

En toen gingen alle deuren in de gang open. Een vijftal paar ogen staarden naar de nieuwe gast. Een hongerige, zeer vermoeide en bovendien een zich ongemakkelijk voelende nieuwe gast. Alleen het omslaan van de bladzijden van mijn paspoort was te horen in de halfverlichte, vochtige gang. Ongemakkelijk stilte en gestaar dat door mijn dikke kleding brandde wachtten op een actie van deze vreemdeling. Met een rollende ‘r’ noemde ik mijn naam, De stilte was doorbroken. Ik werd verwelkomd met schaterlach en schouderkloppen. Die eerste nacht in de West-Sichuanse stad Kangding sliep ik naast opa en oma, alleen een dunne wand scheidde ons. Vooral hij liet de hele nacht gorgelend en spugend van zich horen. Maar het gaf niet.

Liefde in Kangding
Kangding bestaat uit twee hoofdstraten en wordt doorkruist door de kolkende Dadu rivier waarover gezellige bruggetjes hangen. Hier dondert het niet uit welke windrichting je komt. In de schaduw van een minaret kluif je aan een Tibetaanse jaksteak, rook je als een Han Chinees en flirt je terwijl de karaokemachine de laatste popklanken uit het Westen uitspuugt. De stad is al eeuwenlang een handelspost op de zijderoute – elke passerende cultuur heeft hier wel iets achtergelaten. De dampende boterthee dient als bindmiddel.

Eén van de straten leidt naar een groot plein waar elke avond wordt gedanst in een grote kring. Jong en oud volgt een leider, die dagelijks uit hun midden wordt gekozen. Hier ontmoet ik twintigjarige Zhang Liu. Hij vertelt me dat de stad bekend staat als De stad van de Liefdesliedjes. “Het bekendste liefdeslied in China komt hier vandaan. Iedereen kent het in dit land. Het zit in onze genen,” vertelt hij met pretoogjes. Het lied is zo verweven met China dat UNESCO het heeft uitgeroepen tot cultureel erfgoed.

China_Kangding_20120521_00195

Zhang Liu tuit zijn lippen en kijkt trots over het plein dat inmiddels is overgenomen door nog meer mensen en de blauwe gloed van de eerste minuten van de avond. Tevreden schommelt hij zijn hoofd en grijpt dan naar zijn telefoon. “Kom ik laat je het lied horen”, zegt hij op fluistertoon.

“Paarden rennen over de grasvlakten,
Kangding wordt verlicht door de maan.
De jongen van de Zhang familie wordt verliefd
op het mooie meisje van de familie Li.

Och, alle jongens van de wereld: hou van haar,
Alle meisjes van de wereld, laat van u houden.
En dit alles onder de prachtige maneschijn.”

En daar zitten we op een verhoging op het plein, kijkend naar honderden blije gezichten met hun dansende lijven. Twee volwassen mannen, elk met een biertje in de hand luisterend naar de mierzoete klanken die uit de boxjes van een oud mobieltje klinken. We proosten en we klinken, totdat de tijd daar is om in slaap gegorgeld te worden door opa.

 

Yalla Yalla
De volgende morgen vertrek ik naar het hoger gelegen dorp Tagong. Samen met de Israëlische Noam en Homer huren we een aftandse auto van een guitige Tibetaan. De weg naar het dorp is prachtig. We laten de vallei waarin Kangding zich bevindt achter ons en klimmen langzaam naar vierduizend meter hoogte. De bosrijke omgeving verandert in dichte mis, over bochtige wegen rijden we naar de wolken.

Onze chauffeur lijkt het niet te deren – hem lijkt niets te deren. Op hoge snelheid raast hij over de smalle weg, tegenliggers nog net ontwijkend. Morgen schrapen forensische experts onze lichaamsdelen van de weg, zo zie ik het mezelf voor. Mijn nieuwe Israëlische vrienden zitten tegen de bank gedrukt en maken steeds luider schietgebedjes. Ik doe met hun mantra mee. Yalla Yalla. Yalla Yalla. De chauffeur neuriet zachtjes met ons mee. Yalla Yalla. Yalla Yalla.

China_Tagong_20120526_00282

En dan opeens, vanuit het niets, ligt daar Tagong. Omringd door graslanden zover het oog reikt. Op de graslanden luieren jaks en grazen wilde paarden. De razende chauffeur is weer guitig, onze gebeden zijn gehoord. Tagong is een Tibetaans gehucht. Eén stoffige straat en huizen in Tibetaanse stijl. Het doet me denken aan de bouwstijl van de Maya’s, behalve dan dat deze huizen een Chinees dak hebben. De huizen zijn gebouwd met grijze, ongelijke stenen (tegen aardbevingen?) en kleine raampartijen. De grauwe aanblik is opgesierd met Boeddhistische verhalende kunst over hel en Nirvana.

De honden van Tagong
Aan de staart van het dorp ligt een tempel. Bidvlaggetjes van dit gebedshuis zijn naar de omliggende heuvels gespannen en de bewoners lopen elke dag een rondje om het gebouw om de Boeddha te eren. De bevolking is gehard. Dat zie je in de gezichten. Rode gebarsten wangen en diepe groeven in het gezicht waar stof zich heeft verzameld. De meeste mannen hebben een wilde baard en lang haar. Ze dragen leren broeken en cowboyhoeden, in de mondhoek vaak een peuk. de vrouwen dragen kleurige jurken en vlechten in het haar. De andere bewoners van het dorp zijn de honderden wilde honden. Overdag slapen de meesten in de koele schaduw van de huizen en de tempels. Andere lopen in roedels op de graslanden of blaffen en grommen naar onbekende bezoekers. Net als de mensen zijn de honden stoffig, ruwer dan viervoeters dieper in de geciviliseerde wereld.

China_Kangding_20120522_00204

Ik voel me gelijk goed hier, mentaal welteverstaan. Lichamelijk voel ik me zeventig. Bij elke stap die ik zet voel ik mijn hoofd bonken en raak ik buiten adem. We zitten beduidend hoger dan Kangding en moeten nog wennen aan de ijle lucht. Toch wagen we ons aan een wandeling door de graslanden. De leegte van het groenbruine land wordt gekaderd door laaghangende wolken en aan de horizon bergen met besneeuwde toppen. Beekjes met fris stromend water lijnen over het landschap naar oneindigheid. En hier en daar grazen plukjes jaks zoals zij dit al eeuwen hier doen. De beweging van het water en het leven maken de leegte behapbaarder, makkelijker om in je op te nemen. Zouden jaks zich realiseren dat ze grazen in een onmetelijke schoon landschap?

China_Tagong_20120526_00281

Zwijgen
We zijn op weg naar een van de weinige tekens van menselijke beschaving in dit gebied, een eikpunt op dit Sichuanse vlakke land: het klooster van Lhagang. Al van een verte zie je de schittering van de zon op het gouden dak. In het klooster lijkt de tijd stil te hebben gestaan, als we foto’s maken worden we omringd door leerling-monniken die vol verbazing naar het resultaat op het ledscherm van onze camera’s kijken. Ze worden echter al snel tot de orde geroepen door de oudere monniken, de lessen beginnen weer.

In het enige café van het dorp praten we ‘s avonds over de schoonheid van de omgeving. De koude lucht verpakt onze hete adem in teksballonnetjes. “Net als het bespreken van het fenomeen oneindigheid raak je over de schoonheid van dit land, maar ook schoonheid in het algemeen, niet uitgesproken. Laten we zwijgen,” zegt Noam concluderend. En zo geschiedde.

Geef een reactie