Een banaan in het land der racistische koningen

Het is een paradijs voor luie en domme Maleisiërs. Rijke, onbetrouwbare Chinezen zijn ook welkom, maar moeten zich wel koest houden. Het is een hel voor (te) zwarte Indiërs die gebruik maken van de welvaart. Schrijver dezes ziet het allemaal aan en gaat bij zichzelf te rade. Welkom in Maleisië!

De donkere wolkenlucht boven Kuala Lumpur is de prelude van een hevige moessonbui. Mijn oog volgt een zwerm vogels die bij elke donderslag sierlijk van koers verandert, ze lijkt te dansen in een oneindig grijs theater. Een wanordelijke choreografie samen met andere zwermen – elk op weg naar bescherming voor deze overweldigende natuurkracht.

Ook beneden heerst er chaos. Vrome en minder vrome moslims lopen gehaast naar de moskee om zich voor de derde maal die dag zich naar Mekka te richten. Ze lopen tussen zakenmannen die zich naar de metro huiswaarts haasten. De keurige maatpakken negeren de smerige opgehouden handen van zwervers die op kniehoogte nog hopen op een extra centje. De overvolle wegen vormen op dit tijdstip een oneindige glanzende muur van stilstaande en voortdurende toeterende auto’s. Maar over een uur zullen de straten verlaten zijn. Net als de vogels snellen de grondbewoners van deze metropool ook naar veiligere haarden.

De grootstedelijke nervositeit gaat langs mij heen. Letterlijk. Want terwijl ik mij een weg baan tussen de haastende massa, ben ik diep in gedachten. Al sinds de ochtend probeer ik drie beelden aan elkaar te koppelen: de vliegtuigen die zich door de Twin Towers boren, die sardonische glimlach op het gezicht van Sean tijdens een recentelijk etentje en de bloeddoorlopen ogen van Salid. Gek hoe kleine berichten in de krant je tot een lange wandeling dwingen om opzichzelfstaande oprispingen tot één te breien.

Ingezonden brief
Het begon allemaal acht uur eerder die dag in het houten koffiestalletje van Hanoor. Zijn toko bevindt zich in een smalle steeg tussen twee gigantische winkelcentra waar hippe mensen het vijfvoudige betalen voor veel slechtere koffie. Hippe mensen die ver van deze tussenwereld van drap, rook, gelach en gevloek afstaan. Ik voel me op mijn gemak in die vieze steeg en word blij van mijn bakkie op een wankelende tafel. Bovendien deelt Hanoor een vettige ochtendkrant met zijn gasten. In deze The New Straits Times doet een korte ingezonden brief meer met mij dan eigenlijk zou moeten.

15940752579_997592f583_k

Ene ‘Jason Lee’ beklaagt zich over een controversieel jeugdboek. Het boek van Abdullah Hussain, Interlok (1971), geheten verhaalt over de beslommeringen van de Maleisische Seman, de Chinese Chin Huat en de Indiase Maniam tijdens het koloniale bewind van de Engelsen. In het boek wordt de Indiase gemeenschap beschreven als te zwarte, luie leden van de paria kaste. Chin Huat wordt beschreven als geldbelust en onbetrouwbaar. De Maleisische protagonist is daarentegen het toonbeeld van een goede, islamitische burger.

Het boek is al decennia lang verplichte kost op middelbare scholen en al even lang een doorn in het oog van de twee minderheidsgroepen in dit land.

‘Indiërs zijn alleen in Maleisië om te bedelen en Chinezen, vooral de vrouwen, kwamen om hun lichamen te verkopen’ – Fragment uit Interlok.

Diverse actiegroepen proberen het boek uit de scholen te weren en de Indiase en Chinese oppositiepartijen proberen hetzelfde in het parlement. Dat de spanningen hoog kunnen oplopen bleek toen in 2011 een demonstratie hardhandig uiteen werd geslagen door de politie en er uiteindelijk 109 demonstranten werden gearresteerd.

Kinderboek
De regering wuift tegengeluiden weg met argumenten die bekend in de oren klinken voor diegenen die de ‘Zwarte Pietendiscussie’ hebben gevolgd. “Het boek is nu eenmaal verweven met de Maleisische cultuur”; “Het is maar een kinderboek, kinderen zien geen ras of kleur” en “Het verhaal speelt zich af in een tijd waarin racisme gewoon was, zo spraken ze nu eenmaal in die tijd.” De twee grootste minderheidsgroepen in Maleisië, de Indiërs en Chinezen, groepen die al eeuwen het land bevolken naast de etnische Maleisiërs, zien in het boek de zoveelste bevestiging van hun gevoel tweederangsburger te zijn. Jason Lee verwoordt in de krant tevergeefs het ongenoegen van deze burgers. Het boek is nog steeds verplichte kost.

Toen ik een halfjaar geleden voor het eerst voet zette op Maleisische bodem kon ik niet bevroeden dat ik zou reizen door een land dat enorm verdeeld is door raciale lijnen. Ik zag daarentegen een multi-etnische walhalla, een voorbeeld voor de wereld. Ik zag een diversiteit van gezichten uit alle windrichtingen van de wereld, allemaal hard werkend in een natie waar men trots is Maleisiër te zijn.

Ik verliet Maleisië hoopvol gestemd en maakte de belofte om snel terug te keren. Drie maanden geleden arriveerde ik voor de tweede keer in dit land. Ik zou al er snel achter komen dat mijn initiële hoop een illusie bleek te zijn. Mijn vrienden, een dwarsdoorsnede van de drie etnische groepen, namen me deze keer in vertrouwen en zouden tijdens gesprekken de meest vreselijke dingen zeggen over elkaar en de toestand van het land.

6830038403_7c22aea728_b

Persoonlijk ongenoegen
In Maleisië ontwaakte ook weer een persoonlijke sluimerende onbehagen. Een zeurderige fluisterstem die sinds september 2001 zo nu en dan opdoemt. Een stem die zegt: ‘Zie je wel, je hoort er niet (volledig) bij’. Als mensen op het Aziatische continent steevast mijn introductie herhalen. “Kom jij echt uit Nederland? We dachten dat je één van ons was!” Of als men in Holland vol verwondering mij complimenteert vanwege het feit dat ik zo goed ben geïntegreerd. “Wat spréék jij netjes! Goed hoor!”

Na het ingezonden stuk te hebben gelezen liet ik de koffie staan en liep weg. Bestemming onbekend. De straten van Kuala Lumpur zijn vergeven van gezichten die op het mijne lijken en toch mag ik niet één van hen zijn. De witte groep toeristen voor die Taoïstische tempel, daar hoor ik dan toch zeker bij? Ik ben echter een kop kleiner, heb zwart haar en mijn huidskleur is niet het resultaat van een zonnebank, maar een cadeau van mijn ouders. John en Ina, hardwerkende Indische Nederlanders geboren in Bandung en Batavia. Ik ben kort gezegd het lijdend voorwerp in de Indische Letteren.

In de schaduw van een kerktoren sta ik stil. Steek een sigaret op vraag me af waar ik was toen een stel idiote bebaarde fanatici twee vliegtuigen in de Twin Towers boorden. Mijn gedachten dwalen alleen snel af naar de periode na die laffe daad. Het begin van een moeilijk debat en waarin snel duidelijk werd dat er grote verschillen zijn in het westen. Zowel mentaal als fysiek. Maar ook een periode waarin ik gedwongen werd om na te denken over de vraag: Hoor ik bij ‘ons’ of bij ‘hen’?

Misschien dat ik daarom wel blijf hangen in Maleisië, de vraag wordt hier namelijk erg vaak gesteld. De lijfspreuk van het land, Satu Malaysia (Eén Maleisië), is namelijk tegen dovemansoren gericht. Het land lijkt vooral drie landen te zijn: het arme Little India en het welvarende Chinatown in het Maleisische Rijk van de regenten. Drie landen die in staat van oorlog lijken te verkeren. De strijd wordt alleen niet gestreden met wapens, maar met afgunst, racisme en uitsluiting.

Eenheid in verscheidenheid
De regering gooit er af en toe een campagne tegen aan waarin eenheid in verscheidenheid wordt verkondigd. Het is ook diezelfde regering die uitsluiting en regelrechte discriminatie van minderheden via wetten legaal maakt. Zo wordt het land al sinds 1951 geregeerd door regeringspartij UMNO (United Malay National Organisation) waarin je alleen binnenkomt als er Maleisisch bloed door je aderen stroomt.

6829635589_6a94f7b219_b

Ze hebben hier zelfs een term voor: Bumiputera. Bumiputera’s, of zonen van de aarde, is het Maleisische equivalent van het Nederlandse ‘autochtonen’ en worden in wetten voorgetrokken boven de allochtonen. Deze wetten zijn ooit in het leven geroepen om de achtergestelde positie van de Bumiputera te verbeteren, maar zijn in het moderne Maleisië bijna een juridische goedkeuring van apartheid. Zo gaan de beste overheidsbanen naar Bumiputera’s, worden ze voorgetrokken in de zakenwereld en gaat het overgrote deel van het onderwijsbudget naar deze groep.

Het heeft als gevolg dat vooral rijke Chinezen hun geluk buiten de landsgrenzen zoeken.Zo ook Sean (twintignogwat, vermogend, charmant, uiterst intelligent), een Chinese Maleisiër waarmee ik bevriend ben geraakt. Tijdens een etentje krijg ik een college in politiek incorrectheid: “Die klote Maleisiërs gedragen zich als koningen, terwijl wij het land rijk hebben gemaakt. We zijn niets in hun ogen. Als wij er niet waren dan zouden ze nog als apen door de bomen slingeren.” En: “We hadden godverdomme een tweede Singapore kunnen zijn. Zelfs een land leiden kunnen ze niet.”

“Dure auto? Chinees achter het stuur. Stropdassen? Een Maleisiër zou niet weten hoe deze om te doen. Wij zijn over het algemeen rijk, hebben dit zelf verdiend. Zij kunnen alleen rijk worden door corruptie en over de ruggen van anderen. Vooral die arme Indiërs hebben het zwaar te verduren,” zegt mijn vriend die ondertussen  onderuitgezakt en met pretoogjes de uitgeblazen cirkelwolkjes van zijn sigaret volgt. Zijn strijkende hand over een welvaartsbuikje maakt de pose bijna overtuigend. Het is alleen die bittere glimlach die zijn ware gevoelens verraadt.

Ik hervat mijn wandeling. Ik had me na het etentje voorgenomen om Sean’s tirade te laten voor wat het was: gefrustreerde woede. Mijn ziekelijke drang tot nieuwsgierigheid wint echter. Ik tel het aantal Chinese koppen in auto’s die voor mijn lekenoog duur lijken. Acht uit tien. Stropdassen: zes uit tien. Wie houden de straten schoon? Acht uit tien. Acht keer een Maleisiër van Indiase origine. In twee gevallen houdt een Bumiputera de hoofdstad spic en span.

Natte vingerwerk
Voor het eerst sinds de begroeting met Hanoor de koffieman verschijnt er weer een lach op mijn gezicht. Ik geneer me voor mijn slordige poging tot statistiek en realiseer me dat de telling weinig zegt. Maar toch zeker wel iets?

5990355480_119fbbd21d_b

Mijn moeder zou Salid ‘een slecht mens’ noemen. Hij doet alles wat Allah verboden heeft, temeer omdat hij als voormalig narcotica-agent als een kind in een snoepwinkel is het depot waarin geconfisqueerde verdovende middelen worden bewaard – een plek waar hij (tegen betaling) nog steeds toegang toe heeft. Ik ontmoette hem in een illegale bar in een van de achterafstraatjes in Little India en sindsdien zie ik hem regelmatig. Misschien is het wel de behoefte van een eenzame reiziger om iets spannends aan zijn vrienden thuis te vertellen of zijn kinderlijke onbevangenheid, maar ik mocht hem meteen.

Sinds hij het agentenbestaan vaarwel heeft gezegd runt hij een kantoor dat LED-verlichting importeert uit China. Salid is een trotse ‘zoon van de aarde’ en vertelt me vaak racistische moppen waarna hij in lachen uitbarst. Ik neem hem vaak niet al te serieus, vind in hem een goede drinkmaat en een ingang in de Maleisische psyche. Toch is er één verhelderend kroeggesprek waarvoor ik nog een plek zoek in mijn grijze massa.

Banaan
“Die Chinezen en Indiërs moeten God op hun blote knieën danken dat zij in Maleisië mogen wonen. De Britten hebben ze binnengehaald en in alles bevoorrecht, terwijl wij Maleisiërs als tweederangsburgers werden behandeld in eigen land.”
-“Dat was vroeger, we leven toch in andere tijden?”
“Nu zijn wij aan de beurt! Het is ons land en als het ze niet bevalt, dan rotten ze maar op!”
-“Wat ‘ze’ ook doen, Salid, het merendeel van de Chinese en Indiase jeugd denkt erover om hun heil in het buitenland te zoeken. Slimme, intelligente jongeren. Mensen die je nodig hebt als ontwikkelingsland.”
“Geeft niets.”
-“Waarom zijn jullie zo blind? Samenwerken is het toverwoord. Een tweede Singapore worden!”
“Wat weet jij nou, banaan.”
-“Sorry?”
“Je bent een banaan, mijn vriend uit Holland. Geel van buiten en wit van binnen. Je bent een buitenlander, je zult het niet begrijpen. Nooit.”

En dan begint het te regenen. Dikke druppels van een tropische moessonbui plenzen op het asfalt en verstoppen in een mum van tijd het waterafvoersysteem dat niet gebouwd is voor een stad van deze omvang. Wegen en straten worden rivieren en ik loop tot mijn enkels in het water als enige op straat.

Vaag hoor ik vanuit een hoek geroep. Het is een oude, Indiase vrouw. Ze wuift naar me. In haar bloemenstal geeft ze me een vieze handdoek, met haar gerimpelde hand gaat ze over haar gezicht. Ik moet me afdrogen, maar ik geef haar de handdoek terug. Ze lacht, wijst naar de lucht. “Rain,” zegt ze. Gelukkig ziet ze mijn tranen niet.

Foto’s: Haifeez

Dit verhaal is eerder gepubliceerd op nieuws- en verhalensite De Aziatische Tijger

Geef een reactie