Rode plastic tasjes en een dikke directeur

“Een goede vriend vertelde mij wel eens dat hij bekende hamburgerketens buiten de Verenigde Staten vergelijkt met een poepvlek in een maagdelijk wit toilet”, zeg ik tegen Iqbal terwijl ik een druipende lepel Nasi Briyani naar mijn mond breng. “Omdat hij het een schande vindt dat mensen in het buitenland burgers verkiezen boven al het andere lekkers.” 

Mijn tafelgenoot is een computernerd uit Egypte die sinds kort bij een groot IT-bedrijf werkt in Kuala Lumpur, hoofdstad van Maleisië. Je zou kunnen zeggen dat hij van het type ‘wat-de-Bedouin-niet-kent-vreet-ie-niet’ is. “Als je die vieze sausvlek nou eens van je kin veegt, dan is het wat fijner om naar je te kijken,” antwoordt hij nors gevolgd door een demonstratieve extra lange slurp van zijn ijsthee. Als een klein kind gaat hij onderuitgezakt zitten, armen over elkaar, tuitende mond en een zuur gezicht.

Sinds een paar maanden eten we iedere zaterdag buiten de deur, want dat doe je als je nog niemand kent in den vreemde – je vastklingen aan een andere buitenlander. In tegenstelling tot uw columnist houdt hij dus niet van vreemde kost, want telkens als het zijn beurt is om een eetgelegenheid uit te kiezen, lopen we steevast richting een gele M die ook hier in grote getale te vinden is. Of naar het huis van een oude meneer uit Kentucky. Vorige week was hij in een exotische bui; we aten toen bij Ramly Burgers, het Maleisische equivalent van de laaglandse vrietkotten. Ook lekker, maar dat is een verhaal voor een andere keer.

3909319646_066d055482_b

Mamak
Dit keer was het mijn beurt. Ik koos voor een drukke Mamak restaurant tegenover de iconische Petronas Torens. Een Mamak laat zich moeilijk uitleggen. Op het eerste gezicht is het een restaurant zoals je die zoveel ziet in Maleisië: druk, open buffet en altijd open. Voor mij is Mamak ordelijke chaos. Dat zit hem allereerst in de smaken die, de door de Britten meegevoerde, Tamil bevolking uit India brachten tijdens een zwarte periode waarin de kolonisator erachter kwam dat de zachtaardige Maleisiërs een even zachtaardige werkethos hebben. Dat is trouwens ook een verhaal voor een andere keer.

Langs een open buffet kiest de hongerige bezoeker uit een keur van kleurige Indiase curry’s en Zuidoost Aziatische groenteschotels. De meesten nemen er ook een vette Westerse kippenkluif bij. Chaos op het bord, maar het klopt precies in de mond.

Het zit hem ook in de geluiden. Kwetterende schoolkinderen komen net boven het geknetter van hete olie uit. Obers schreeuwen naar elkaar voor de laatste orders. De theeman mengt klotsend zijn magische melkthee met dramatische gebaren, want om een echte Maleisische Teh Tarik te maken mix je de thee en zoete melk van de ene beker in de andere met het liefst zo groot mogelijke afstand tussen deze twee. Lange lichtbruine slierten mengen zich tot deze verfrissing in de tropen. Maar de geluiden kloppen. Het hoort bij een Mamak.

Dikkertje
De ordelijke chaos zit hem ook in de mensen en de gespreksonderwerpen. We zitten in het midden van het restaurant en hebben zo een mooi overzicht. Iqbal lacht ondeugend en schopt tegen mijn been: “Moet je kijken. Naar die kinderen. Mijn God, als het baasje aan de kop van de tafel nu niet ophoudt met eten dan ontploft hij nog.” Ik volg de richting van zijn uitgestoken wijsvinger. Achter een groep islamitische geestelijken zitten schoolkinderen aan de lunch. “Ja zeg,” praat ik met volle mond. “Zie je trouwens ook dat de andere kinderen ontzag hebben voor het dikkertje? Hij zit daar als een directeur temidden van zijn graatmagere werknemers en is contant aan het woord.”

15723399671_12d10794b9_k

Iqbal is nu in zijn element, want naast computers is zijn ongenoegen uiten een grote hobby. “Die Maleisiërs worden sowieso met het jaar dikker. Ik las in de krant dat ze de yanks van Azië zijn wat betreft obesitas. Weet je wat nu typisch Maleisisch is?” Ik schud mijn hoofd. “Rode plastic zakjes. Je kent ze wel, die je krijgt bij iedere take-away-gelegenheid, diezelfde zakjes die ze op de grond pleuren omdat naar een vuilnisbak lopen teveel moeite is.”

Oude man
Terwijl mijn tafelgenoot doordraaft zie ik een oude man de Mamak binnen strompelen. Ingevallen wangen en slipperloze eeltige voeten. Hij steekt een zwartgeblakerde trillende hand omhoog. Een ober snelt naar hem toe, reikt zich naar de man. Dan schudt hij hevig zijn hoofd en wuift de oude man weg. Mijn ogen volgen hem naar de uitgang.

“Je zou het in een wiskundige formule kunnen vatten,” hoor ik vaag. “Hoe roder de straten in Kuala Lumpur hoe dikker de bewoners.” Ik onderbreek mijn Egyptische buurman. “Een goede vriend vertelde mij ooit dat als je je eigen mening wil verhullen, dat je dan moet zeggen: een goede vriend vertelde mij eens dat…”

“Dus,” vraagt hij.

“Dus kan ik je melden dat een goede vriend mij weleens vertelde dat je niet overal grappen over hoeft te maken – en dat niet alles in de krant waar hoeft te zijn.”

Bron foto’s: Sham Hardy, Phalinn Ooilejoant

Geef een reactie