De oesters van Phnom Penh

In een zijstraat van de Charles de Gaulle Boulevard in Phnom Penh wacht ik zenuwachtig in de lobby van een hotel. Het stukgelopen rode tapijt zit vol brandgaatjes van afgetikte sigarettenas. In tegenstelling tot de wijlen staatsman heeft het gebouw niets van doen met allure en ook de service is weinig indrukwekkend. “Now. You go upstairs,” smakt de receptioniste boven een kom noodles om vervolgens haar gezicht weer te wenden naar een computerscherm. Binnensmonds vervloek ik Bing, de tuktukchauffeur, die buiten op me wacht.

Ik kwam hem op een morgen tegen, leunend tegen zijn tuktuk, peuk in de mondhoek en verscholen achter een lokale krant. “Ken je een winkel waar ik zo’n adapter kan kopen?”, vraag ik hem. Ik wijs naar dat logo van die appel waar al een beet uit is genomen. “Stap in,” zegt hij nog steeds vanachter zijn krantje. “Weet je het zeker?” Hij schiet zijn sigaret in de goot en kijkt me hoofdschuddend aan. Hoe grootstedelijke non-verbale communicatie niet rijmt met de uitgesproken woorden. ‘Zeg wijsneus, de stad kent geen geheimen voor mij’, lijkt hij te denken. “Natuurlijk meneer. Geen zorgen.”

Als we een paar uur later nog door de straten toeven herinner ik hem aan zijn introductie. Als een koning in een stalen koets ga ik onderuitgezakt zitten. “Bing, niet dat ik me zorgen maak, maar waar is die winkel dan?” In de achteruitkijkspiegel zie ik een verontschuldigende blik. Zijn been trilt zenuwachtig. Misschien gedraag ik me ietwat koloniaal bedenk ik me. “Ach, zo heb ik een gratis tour van de stad. Toch?” Het zijn mooie computers van Steve Jobs, maar in de hoofdstad van Cambodja zijn die peperdure bijhorende adapters maar op twee plekken te koop, blijkt na een lange zoektocht.

6233809519_716a0c51b3_b

Maatjes
Aan het eind van de middag geef ik hem vijfentwintig dollar. Hij stapt gelijk opzij. Wilde niets weten van extra geld. Ja, het heeft hem extra benzine gekost en, het was toch zeker zijn fout, honderdmaal excuses dat het zo lang duurde. Ik druk hem het geld in de handen en loop weg. De volgende dag staat hij voor de deur van mijn hostel te wachten. Hij wil weten waar ik naar toe ga vandaag. “Ach, een beetje slenteren door de stad.” Alsof we de beste maatjes zijn, laat hij zijn hand op mijn schouders rusten. “Nee, nee. Geen geld vandaag. Stap in, waar je ook naar toe wilt,” komt er vastbesloten uit zijn mond. “Naar Bangkok dan maar?”, maar het kwartje valt niet bij hem.

“Mocht je muziek willen horen, dan moet je het maar zeggen,” vanachter het stuur kijkt hij me met aan met een blik alsof er iets groots staat te gebeuren en dan naar de mega geluidsinstallatie achterin zijn motortaxi. Als een rijdende karaokebar scheuren we over de stoffige wegen en stegen van Phnom Penh terwijl de uitstekende Cambodjaanse band Dengue Fever uit de boxen schalt. Ik zit nu wel oprecht als een koning op die comfortable bank van een felgekleurd tuktukje in een hoofdstad waarvan de naam mij als kind al intrigeerde bij het inkijken van De Grote Bos Atlas. En nu, dertig jaar later, ben ik hier. Met een koude Angkor vastgeklemd neurie ik mee met de mysterieuze klanken van Connect Four.

Niet zeuren
Tegen het vallen van de avond stoppen we voor een smoezelig hotel. “En nu, mijn vriend, een heerlijke massage.” Ik moet nog even wennen aan het ontbreken van een trillende bass in mijn rug. “Nee, Bing. Ik vind alles best maar jij weet, en ik weet, dat in dat hotel geen gewone massages worden gegeven.” Hij stapt van zijn zadel en trekt me dan aan mijn arm naar buiten. “Kom. Niet zeuren. Je bent in Phnom Penh! Dit zijn hele goede masseurs!”

Is het een ziekelijke nieuwsgierigheid? Een eerste aanzet voor weer een leuk verhaal op die barkruk in Amsterdam? Zeker geen behoefte om ook maar voor seks te betalen. “Ach, misschien zit er een leuk verhaal in. Vooruit. Ik loop het hotel in. Wacht in de lobby en geraak na enige tijd in een zaaltje met een twintigtal bloedmooie meisjes die allen een grote sticker met een nummer opgeplakt hebben gekregen. De één stift nog haar lippen; de ander kijkt verveeld naar een antieke televisie; een paar keuvelen met elkaar zoals moeders dat ook doen op het schoolplein. Nog even kleppen voordat de kinderen komen, met dat verschil dat ze hier schaars gekleed onder het geflikker van een tl-verlichting zitten en niet wachten op kinderen, maar op opa’s.

11114107225_0062f43a72_k

Daartussen lopen er mannen op zoek naar wat lekkers. Grote mannen. Kleine en dikke. Dunne en lange. Een paar dertigers, de rest toch zeker vijftig plus. Bruine mannen en witte, maar allemaal elkaars blik ontwijkend. Er wordt geen woord gewisseld. Van een afstandje kijk ik hoe dat gaat, shoppen in een slecht belichte zaal vol afwezige meisjes onder toeziend oog van een groep geile bokken.

Oesters
Als ik nummer 44 op me af zie komen voel ik mijn linker mondhoek trillen. De heldhaftige verslaggever heeft toch niet alles over voor een goed verhaal en maakt dat hij wegkomt. Buiten komt Bing op me afgelopen. “Zo dat was snel! Hoe was het?” Hierbij laat hij ietwat zijn knieën zakken, heft zijn gewicht over van links naar rechts en klapt dan in zijn handen. Hij giert van het lachen. “En nu? Terug naar je hotel?” Als een goede vriend leg ik mijn hand op zijn schouder. “Nee, we zien elkaar morgen wel.”

Ik wandel naar de nachtmarkt vlakbij de boulevard. Steven onmiddellijk af naar naar mijn favoriete seafood stalletje en laat me de oesters die avond heerlijk smaken.

Bron foto’s: Xiaojun DengBlemished ParadiseHannah Moulds

Geef een reactie