Leven en laten leven in Jogja

Het hotelletje van Hendrikus ligt verscholen in de schaduw van een minaret. Het is het afgebladderde bezit van de enige christelijke familie in de wijk; heeft nooit betere tijden gekend. Hoe kan het ook anders, het tot gastenverblijf omgebouwde huisje is al twee generaties verstopt in één van de smalle steegjes van de slonzige wijk Sosrowijayan in Jogjakarta.

Op Jalan Malioboro word ik aangeklampt door Ady. “Mister is op zoek naar een kamer? Goedkoop? Jazeker! En schoon bovendien!” Ik volg de langharige jongeman door een wirwar van steegjes. Onderwijl spreekt hij honderduit. Over goedkope tours naar Borobudur, over eethuisjes waar ik beslist moet gaan eten, over eethuisjes waar ik beslist niet mag eten (“vies, duur, niet te vertrouwen!), over, en hier spreekt hij op fluistertoon en met ondeugende blik, plekken waar ik sterkte drank kan krijgen: “Alleen als mister daar geïnteresseerd in is, natuurlijk.”

“En hier is het dan!” Ady lacht zijn gele tanden bloot. We kijken naar een vervallen huisje. De een vol trots, de ander teleurgesteld. De muren lijken op de schors van een zieke boom. Blauwe verfschilfers, ooit een geheel dat een trots cyaan contrasteerde tegen het naastgelegen roodgeverfde huis, tranen nu op een achtergrond van grijs beton. We lopen naar binnen. Mijn ogen moeten wennen aan het gebrek aan licht in de kleine, naar kretek ruikende, huiskamer.

20091925405_865ce5db74_k

Een drie paar ogen richt zich op de bezwete gast. Op het rode fluwelen bankstel zitten een kleine, gezette man van middelbare leeftijd met een zorgvuldig getrimde snor en een oude vrouw, haar rimpelige voetjes komen net niet op de grond, onder een groot schilderij van de Maagd Maria. Gedrieën met uiterst vriendelijke blik en bij de twee zielen met daaronder een even sacrale, zuinige glimlach. Een gemeende vriendelijkheid. Oma stoot haar zoon aan en gebaart hem de bezoeker fatsoenlijk te begroeten. En ik zag gelijk dat het goed was.

Familie
Hendrikus pretendeert geen luxe hotel te runnen, dat geeft hij grif toe. Op de bovenverdieping heeft hij simpelweg zes bedden in kamertjes voor vermoeide zielen met een klein budget. Beneden is de donkere kamer met houten schotten verdeeld in vier ruimtes: de keuken; hij slaapt met haar achterin; de nog inwonende dochter heeft ook haar eigen vertrek en oma slaapt op de bank in de huiskamer. Ady, zijn zoon, woont met vrienden elders in de wijk.

De daarop volgende weken ben ik tevreden in mijn simpele kamer. Het is een komen en gaan van gasten, maar twee andere kamers zijn permanenter bezet. Naast mij woont een verlegen Japans stel. Ze zitten voortdurend in de kamer en gaan er alleen ’s avonds op uit om te eten. Soms kom ik het meisje tegen op de gang, maar zodra ze mij ziet snelt ze, alvorens ze een korte buiging maakt, op blote voetjes naar hun kamer. Tegenover mij zit Danny, een Duitser. Hij is aaneengesloten dronken. We drinken elke avond een fles Arak. Illegaal bewaard onder de toonbanken van de winkeltjes in de verderop gelegen steeg die ’s nachts blauw kleurt van tl-licht en waar men ook komt voor ander (vleselijk) plezier in de slonzige karaokebarretjes.

Gillende muezzins
Het dagelijkse leven in deze wijk, Sosrowijayan. Vijf keer per dag hard onderbroken door de oproep tot gebed. Het huis wordt omsloten door vier moskeeën die fanatiek concurreren om hun zalen vol te krijgen met gelovigen. De muezzins overroepen elkaar, steeds harder en scheller. Hendrikus, of Pak Kus in het dagelijkse leven, lacht het weg. Toch zie ik, nu ik al enkele weken onder zijn dak woon, een bijna verborgen irritatie, een onderdrukte gekweldheid, in een minuscuul trillen van de mondhoek en een doffere oogopslag. Danny steekt het niet onder stoelen of banken. Hij vloekt en vervloekt, tussen grote slokken Bintang, de religieuze regelmaat van anderhalve miljard zielen op deze planeet.

Ik word plots wakker in een tropisch dampend bed.

Pak Kus liet me op de eerste dag vol trots zien hoe je de plafondventilator moet bedienen in één van de zes kamers die hij verhuurt. Geen overbodige luxe in heet augustus, ware het niet dat de stroom meerdere malen per dag uitvalt – zo ook afgelopen nacht.

8343486345_2e0b509daa_b

De werkelijkheid is bij het ontwaken met een kater een gebroken vaas. Het brein moet al bonkend de verschillende prikkelingen tot één lijmen. Speldenknopoogjes van de tjitjak loeren doods vanaf de stilhangende rotorbladen van de trots van Pak Kus. Scherf één. Het bed prikt in mijn rug. Nummer twee.

Scherven
En dan vier enorme scherven in de vorm van het, voor mij althans, onverstaanbare oproep tot het eerste gebed van die dag. De laatste scherf: een grote benevelde Duitser die vals, en keihard bovendien, Why don’t we do it in the road van The Beatles blert. Op het balkon zie ik hem ongecontroleerd heen en weer swingen. zijn rechtervoet op de balustrade en op zijn harige knie steunt een gitaar die hij sinds een week heeft en met even weinig talent als zijn zangkunst bespeelt. De akkoorden lijken willekeurig, zijn doel niet. Hij richt een geïrriteerd headbangend gezicht naar één van de minaretten en lijkt harder te ‘zingen’ zodra de tonen van de muezzin met het verstrijken van de oproep van het gebed hoger worden.

Ik ben klaarwakker in een hotelletje in een klam Jogjakarta. En ik moet als de wiedeweerga naar hem toe, voordat hij gelyncht wordt door een boze religieuze menigte. Als ik hem bij de schouder vastpakt, draait hij zich om. “Hello my friend,” zegt hij in onvervalst Duits accent. Voordat hij zijn tweede zin nog maar kon uitspreken valt hij naar voren. Ik kon hem nog maar net opvangen. Pak Kus komt hijgend aangerend. “Please, shut him up!” We brengen hem naar zijn kamer. Een paar uur later zou hij zich beschaamd verontschuldigen aan de familie. Het was zijn laatste nacht in het hotelletje, want Pak Kus deelde hem mee dat zijn kamer al gereserveerd was door een volgende gast. Liegen is een zonde, maar de enige christelijke familie in de wijk is niet van plan om te verhuizen. Het licht van de Heer heeft nooit fel geschenen in Indonesië. En het wordt al maar dimmer.

Bron foto’s: César González PalomoRemon Rijper

Geef een reactie