Tatacoa: golvende rode aarde onder machtige sterrenhemel

Tatacoa in het zuiden van Colombia is als een levensgroot driedimensionaal schilderij van de Engelse kunstenaar William Turner. De kleine woestijn is een oase van verschillende tinten rood midden in een groene tropische regio. Overdag veranderen de droge gerimpelde aarde, de machtige rotsformaties en eenzame zandpilaren elk uur van kleurnuance door het licht van de snikhete zon. In de nacht kleurt Tatacoa aangenaam donkerblauw en wordt het overkoepelt door een prachtige sterrenhemel.

Het is de eerste ziel die ik tegenkom in het snikhete Tatacoa nadat ik door een motortaxi wordt gedropt. Santiago klopt me op de schouder en heet me welkom. Zweetdruppels klotsen op de droge aarde door de kleine schok die deze geste veroorzaakt. Hij is enorm. In de schaduw van deze geitenhoeder vind ik een tijdelijke verkoeling. Met half dichtgeknepen ogen, deels door de felle zon en grotendeels door zijn spekkige voorhoofd dat door de zwaartekracht over zijn oogleden zakt, vertelt hij me over het restaurant van zijn vrouw. Een gebouwtje op de heuvel tegenover het observatorium.

Het kost me enige moeite om zwaarbepakt de treden te beklimmen richting de sterrenwacht. Achter dit gebouw zet ik mijn tent op en vraag me hardop af waarom ik in deze gortdroge hel nu per se wil kamperen. Het is de tweede keer in mijn leven dat ik een tent opzet en het wil niet lukken. Vliegen plakken op mijn bezwete lichaam en de kinderen van de beheerder kijken me met een drietal paar ogen aan. Als ik voor de zoveelste keer met een harde ‘g’ vloek lachen ze en rennen ze als wilde indianen rondjes om mijn mislukking.

Woeste zee
De tent staat er na een uur. Met een welverdiend koud biertje loop ik naar het hoogste punt voor een overzicht van de woestijn. De misere van het afgelopen uur verdwijnt als sneeuw voor de zon en ik prijs mezelf gelukkig als ik voor het eerst het landschap zie. Vanaf een hoogte is Tatacoa als een woeste zee. De droge aarde golft over het land en wordt hier en daar onderbroken door steenformaties die rustpunten vormen voor de verwonderde aanschouwer. Zonnestralen geven dit natuurlijke wonder een subtiel rode kleur, warm als een zonsondergang.

Tatacoa wordt doorsneden door een stoffige weg met aan weerskanten restaurantjes en hostels van ondernemende woestijnbewoners die in een vorig leven nog geitenhoeders waren. Alleen de stapels geitenkazen die als lekkernij aan de kant van de weg worden verkocht herinneren nog aan dit harde bestaan. de woestijn kent nog wel geitenboerderijen, maar die zijn op één (of misschien twee) handen te tellen. Ik besluit om op verkenning te gaan en zet mijn eerste schreden in het landschap.

Hoe perceptie door afstand verraderlijk bedriegend kan zijn. De woestijn blijkt helemaal niet zo droog te zijn als je er eenmaal doorheen loopt. De geulen tussen de menshoge golvende rode aarde is modderig en hier en daar gevaarlijk zelfs. Ik blijf op bepaalde punten tot mijn knieën vastzitten in de zuigende modder. Met veel kracht weet ik me toch los te trekken, mijn enige getuigen de vele vogel- en hagedissoorten die zich niets aan trekken van een bezwete toerist in een verder eenzaam landschap.

Lawrence of Arabia
Mijn tocht brengt me naar verschillende delen van Tatacoa, allemaal even machtig en zo verschillend van elkaar. Op het ene moment begeef je je in een mini Grand Canyon en op het andere in een met cactussen bezaaide gele woestijn zoals je ze kent uit films over het Wilde Westen. De door de wind gevormde zandtorens en hier en daar deels met zand overwoekerende skeletten van vee en paarden maken het plaatje af. Evenals de bezwete hiker overigens. Ik heb mijn krama (een Cambodjaanse sjaal) als Lawrence of Arabia om mijn hoofd gewikkeld ter bescherming tegen de meedogenloze zon.

Ik besluit om tijdens de zonsondergang de kookkunsten van de vrouw van Santiago uit te testen. Ik vraag naar haar specialiteit. Rosa is net als Santiago enorm, alleen uit dit zich niet zozeer verticaal als wel horizontaal. De kinderen zijn er ook. Twee koddige kleuters, Junior en Vanessa, en Juan, een uit de kluiten gewassen tiener, net als zijn vader één bonk mens. Als ik mijn eten voorgeschoteld krijg heb ik ook een verklaring voor het voorkomen van deze woestijnfamilie: een enorm stuk vlees, een berg rijst, vettige patat en een portie groente die je onder een microscoop moet leggen wil je er nog iets van zien.

Op dit tijdstip is de hemel als een enorme spiegel afgezet tegen de woestijn – warmkleurig en spectaculair. ‘Moeder Natuurs antwoord op de Sixtijnse Kapel’, noteer ik in mijn boekje. Veel ruimte voor gefilosofeer is er trouwens niet, de familie heeft ruzie. Bijna grommend klaagt Juan dat zijn portie eten te klein is. Vanessa begint te huilen en Junior begint te zingen om het geruzie maar niet te horen. Als Santiago zich er mee bemoeit krijgt hij ook de wind van voren van zijn oudste zoon. Rosa schikt uiteindelijk in en brengt zoonlief een extra stuk vlees.

Het is pikdonker als ik me weer helemaal alleen waan, op een stoeltje voor mijn tent. Ik overdenk mijn dag, uit mijn iPhone klinkt de mijmerende stem van Tom York. De hemel is bezaaid met sterren en nevels. Hoe mooi kan een plek zijn? Ik val in slaap en wordt de volgende ochtend wakker door de hete zon.

Homo
Santiago neemt me mee naar zijn boerderij. “Als je in Tatacoa geen geitenmelk gedronken hebt, dan ben je hier nooit echt geweest”, zegt hij smakkend op een stuk geitenkaas. Het boerderijtje van de familie is bescheiden: een klein stukje grond temidden van hostels en souvenirshops.  Ik hobbel achter hem aan en als de kinderen hem zien, rennen ze op hem af. Als enthousiaste hobbits cirkelen ze om hun vader. Santiago is op zoek naar Juan. Hij buldert de naam van zijn eerstgeborene en na tig keer roepen komt hij eindelijk uit het eenvoudige huisje gelopen. Met een enorme zucht loopt hij naar de geiten, want hij moet ze melken van zijn vader. Ruw trekt hij aan de uiers van een bijzonder welwillend geitje. Het resultaat: een verrassend verfrissende lekkernij op een een snikhete dag.

Het is mijn laatste avond en dat moet gevierd worden. Santiago neemt me mee naar het nabijgelegen gehucht Villavieja. Het dorpje heeft een aftands pleintje en een straat met enkele cantina’s vol eeltige boeren met verhalen te over en een hoop ruimte voor koude Aquila-biertjes. Het valt even stil als ik de favoriete openluchtbar van Santiago binnenstap. Ik word geïntroduceerd als een goede vriend en dan is alles wel. Het gelach en het bonken met de vuisten op de houten tafels begint weer van voor af aan. Als een bezienswaardigheid moet ik met elk tafeltje op de foto in ruil voor een biertje. Als ik zeg dat ik best bereid ben om gratis te poseren, wordt dit luidkeels geweigerd. Een van de vrienden Santiago voegt er zelfs aan toe dat ik “toch geen homo ben, want welke echte kerel slaat nu een biertje af?” De bar stroom vol, want het woord reist snel in kleine gehuchten, vele foto’s en biertjes volgden.

Hoe kom je er?
Neem vanuit Bogota de bus naar Neiva (vijf tot zes uur). Vanaf Neiva gaan er minibusjes naar Villavieja vanwaaruit je een motortaxi kunt nemen naar Tatacoa.

Geef een reactie